Wiegendood is de plotselinge en onvoorspelbare dood van een baby waar geen verklaring voor wordt gevonden. Zelfs niet na een volledig onderzoek en een lijkschouwing. Het wordt wiegendood genoemd omdat het gebeurt als een baby een dutje doet of 's nachts slaapt. Wiegendood is een van de voornaamste doodsoorzaken bij baby's. Het komt het vaakst voor tussen 2 en 4 maanden en 90% gebeurt voor de leeftijd van 6 maanden.
Wiegendood komt zelden voor. Toch zijn er jaarlijks nog enkele tientallen gevallen in Vlaanderen. De precieze oorzaak van wiegendood is niet bekend, maar ervaring en onderzoek tonen aan dat de slaaphouding, het rookgedrag in de omgeving, temperatuur van de slaapruimte en het toezicht het risico op wiegendood kunnen beïnvloeden. Je arts is de geschikte persoon om daarover meer uitleg te geven. Ook bij de regioverpleegkundige kan je hiervoor terecht.
Wat zijn de oorzaken van wiegendood?
Nieuwe inzichten, nieuw beleid: hoe je het risico kunt verminderen
Wat zijn de oorzaken van wiegendood? Niemand weet wat de directe oorzaak van wiegendood is. Artsen en onderzoekers zijn erachter gekomen dat het niet om één factor gaat maar om een combinatie van factoren. Deze factoren kunnen zijn: een aangeboren hersenafwijking, een afwijking in het immuunsysteem, een stofwisselingsstoornis, of een onregelmatige hartslag. De theorie is dat als baby's met een of meer van deze problemen te maken krijgen met een moeilijke situatie - ze slapen op hun buik en ademen teveel kooldioxide in, ze roken passief mee, ze hebben een verkoudheid opgelopen of hebben het te warm - wiegendood dan eerder op kan treden. Hier vind je meer info over de nieuwste theorieën en recent onderzoek.
Een hersenafwijking: er is steeds meer bewijs dat sommige baby's die door wiegendood zijn gestorven, een afwijkende of onvolgroeide hersenstam hebben. Het ademhalen en wakker worden tijdens de slaap wordt door deze hersenstam geregeld. Normaal kunnen baby's problemen, zoals onvoldoende lucht of teveel kooldioxide, aanvoelen. Maar als ze deze hersenafwijking hebben, is dit beschermingsmechanisme misschien niet aanwezig.
Een fout in het immuunsysteem: onderzoek heeft aangetoond dat het immuunsysteem van sommige baby's die aan wiegendood gestorven zijn, een hoger aantal witte bloedcellen en eiwitten aanmaakte dan normaal. Sommige van deze eiwitten kunnen de hersenen beïnvloeden. Tijdens de slaap wordt dan de hartslag en de ademhaling veranderd of de baby slaapt heel diep.
Een stofwisselingsstoornis: baby's die geboren worden met een bepaalde stofwisselingsstoornis kunnen kwetsbaarder zijn voor wiegendood. Als ze bijvoorbeeld een bepaald enzym niet hebben, kunnen ze vetzuren niet goed verwerken. Een ophoping van deze zuren kan zorgen voor een snelle, fatale verstoring in de ademhaling en van de hartfunctie.
Onderzoek toont ook aan dat het risico voor jongetjes groter is dan voor meisjes. En dat wiegendood vaker voorkomt in sociaal achtergestelde gezinnen en bij bepaalde etnische groepen. Over het algemeen is er nog steeds geen verklaring voor wiegendood. Er wordt veel onderzoek naar gedaan.
Deskundigen zijn het er echter wel over eens dat voor jonge baby's de kans op wiegendood groter is als ze: - Te slapen worden gelegd op hun buik.
- Slapen op zacht beddengoed of een zacht matras.
- Een broertje of zusje hebben gehad dat door wiegendood is gestorven.
- Teveel kleertjes aanhebben of slapen in een te hete kamer.
- Te vroeg werden geboren of een laag geboortegewicht hadden.
- Passief meeroken.
- Een moeder hebben die rookte of drugs gebruikte tijdens de zwangerschap.
- Een moeder hebben die voor de geboorte niet onder controle was bij een verloskundige of gynaecoloog.
- Een tienermoeder hebben.
- Onder armoedige omstandigheden wonen.
Nieuwe inzichten, nieuw beleid: hoe je het risico kunt verminderen
Als moeder van een pasgeboren baby krijg je van je kraamhulp of in het ziekenhuis een aantal aanwijzingen. Een van de aanwijzingen is: leg je baby altijd op zijn rug te slapen.
Naar aanleiding van onderzoek in Nederland, Groot-Brittannië en de VS zijn onderzoekers in 1992 begonnen met het geven van dit advies. Onderzoek bevestigt dat steeds meer mensen hun kleintje op de rug laten slapen. Het aantal gevallen van wiegendood is met de helft afgenomen.
Er zijn zoveel dingen die nieuwe ouders proberen te leren. Het meeste leer je vanzelf. Je kunt je van tevoren wel voorbereiden op je nieuwe rol. Ook kan je al dingen ondernemen voor je baby's veiligheid en om mogelijke angsten over het grootbrengen van een kind weg te nemen. Als het gaat om slapen en het risico van wiegendood verminderen, dan kan je de richtlijnen hieronder opvolgen.
Klik hier voor een aantal richtlijnen van het Department of Health en de FSID. We geven je hier een aantal tips om het risico van wiegendood tot het minimum te beperken. Draai deze lijst uit en hang hem op bij het bedje van je baby. - Voor de geboorte: zorg ervoor dat je vanaf het begin regelmatig gecontroleerd wordt tijdens de zwangerschap. Zorg voor goede voeding en gebruik geen drugs of alcohol. Rook niet.
- Beddengoed: gebruik een stevig matrasje in de wieg of het babybedje, je baby mag er niet in wegzinken. Leg geen donzige dekentjes, dikke lappendekentjes, dekbedjes of een schapenvachtje over of onder je baby. Verwijder zachte knuffels of kussens van de plek waar je baby slaapt. Gebruik geen dekbedden en bedrandbeschermers tot je kindje 1 jaar is, geen kussens tot 2 jaar. Gebruik een deken en een lakentje of een aangepaste slaapzak met armsgaten.
- Neerleggen: leg je baby altijd op zijn rug te slapen. In buikligging slaapt je kind misschien rustiger, maar is er een verhoogd risico op wiegendood. Ook wanneer je baby in zijligging slaapt, is dit het geval. Je baby kan immers al vanaf de eerste levensweken spontaan naar zijn buik kantelen, met als gevolg een verhoogd risico op wiegendood. Wanneer je baby wakker is, mag je hem wel op zijn buik leggen om te spelen. Zo kan hij goed zijn spieren oefenen.
- Temperatuur: voorkom dat het te warm wordt in de babykamer. Zorg ervoor dat de temperatuur prettig blijft en kleed je baby niet te warm aan. Aangepast aan de kamertemperatuur. De eerste 8 weken tussen de 18-20° en daarna 18°. Leg nooit een elektrische deken of kersenpitkussentje in het bedje terwijl je baby slaapt. Die geven te veel warmte af.
- Babycontroles: ga met je baby naar het consultatiebureau voor de controles en inentingen.
- Schone lucht: rook nooit in de buurt van je baby en nooit in zijn kamer. Vraag aan je familie, vrienden en andere bezoekers om niet te roken. Maak duidelijk dat het alleen gaat over niet roken op deze plaats en op dit tijdstip. Benadruk dat het om de gezondheid van je kindje gaat. Verwijder alle rookattributen zoals asbakken en aanstekers uit de woning.
- Borstvoeding: als het mogelijk is kan je het beste borstvoeding geven om hem een sterke, gezonde start te geven.
- Op zijn buikje enkel als hij wakker is(altijd onder toezicht): moedig je baby aan om op zijn buikje te liggen als hij wakker is. Hierdoor worden zijn arm- en schouderspieren sterker. Leg hem op de vloer op een deken of in een box met speelgoed dat hij leuk vindt.
- Nog een belangrijke preventiemaatregel is de nabijheid van de ouders/opvoeders.
- Hou je kind overdag bij je in de rustige woonkamer, ’s nachts zo mogelijk tot 6 maanden in jouw slaapkamer. Zorg wel voor een eigen bedje.
- Laat je kindje in de eerste levensmaanden niet te lang doorslapen. Kijk regelmatig of je kindje al wakker is.
- Sla nooit een voedingsbeurt over. Je baby heeft vele kleine hoeveelheden voeding nodig en wordt bovendien op die manier ook regelmatig gecontroleerd.
- Kijk na een hevige huilbui van je kind altijd hoe het in slaap is gevallen. Geef je borstvoeding, probeer dan de eerste weken zowel duim als fopspeen te vermijden. Bevredig de natuurlijke zuigreflex van je baby met borstvoeding op verzoek.
- Fopspeenzuigen bevordert de neusademhaling. Deze vraagt meer inspanning dan ademen door de mond, zodat ze de ademhalingsspieren sterker maakt.
- Zuigt je kind op een fopspeen, dan draait het zich minder om in zijn bedje. Bovendien wordt de tong naar voren geduwd bij het zuigen, zodat de keel meer vrij is.
- Kies liever voor een fopspeen dan voor de duim. Fopspeenzuigen gebeurt symmetrisch, zodat de speen mooi in het midden van de mond zit. Bij duimzuigen is dit niet het geval, waardoor de tandboog zich asymmetrisch kan ontwikkelen. Duimen beïnvloedt immers veel sterker het gebit, met het risico op een open beet. Om het gebit de kans te geven zich nog spontaan te corrigeren, moet je kind vóór de leeftijd van 3 jaar ophouden met duimzuigen. Fopspeenzuigen kan tot 4 jaar. Maar duimzuigen is in het algemeen moeilijker af te leren.
- Laat de fopspeen in bed liggen, zodat je kindje leert die enkel te gebruiken om in te slapen. Neem de fopspeen uit zijn mondje zodra het ingeslapen is.